Door: Bart-Jan FlosVerschenen in:
Spanning in interactie: Een analyse van interactief beleid in lokale democratie Jurian Edelenbos en Rene Monnikhof (red.) 247 p. ISBN 90-6473-361-9fl. 29,90
InleidingDe gemeente Amsterdam heeft een lange geschiedenis voor wat betreft het betrekken van de burger bij het beleid. Hiervoor zet de gemeente uiteenlopende methoden in, zoals referenda, inspraakavonden, stadsgesprekken en stadsconferenties. De jongste loot aan deze stam is het gebruik van Internet als middel voor communicatie met de burger.
Sinds 1994 is de gemeente Amsterdam betrokken bij het maatschappelijk initiatief De Digitale Stad (DDS), een stad als ieder ander met inwoners, belangengroepen, bedrijven, een stadsbestuur, een postkantoor, bibliotheken, pleinen, wijken, straten, cafés en overheidsorganisaties, waaronder natuurlijk een gemeentehuis. Het enige verschil met een normale stad is dat De Digitale Stad niet tastbaar is, ze bestaat namelijk alleen virtueel. Het is een stad die te vinden is op het World Wide Web, een onderdeel van Internet. De panden en straten vormen allemaal sites (Web-pagina’s), die door het aanklikken van icoontjes bezocht kunnen worden. Bovendien hebben burgers de mogelijkheid met elkaar in debat gaan via discussiegroepen. De gemeente Amsterdam had in eerste instantie in de DDS een digitaal gemeentehuis gebouwd, waar burgers terecht konden voor informatie, vragen en opmerkingen. Sinds enkele jaren heeft de gemeente Amsterdam echter zelfstandig een ‘pand’ betrokken op het Internet. De deuren van dat gemeentehuis staan 24 uur per dag, zeven dagen in de week open voor burgers over de gehele wereld.
De gemeente is ook nog op een andere manier actief op het net. Begin 1997 werd op verzoek van Jikkie van der Giessen, wethouder voor Maatschappelijke en Gezondheidszorg, Bestuurscontacten en Informaticastimulering, onderzoek gedaan naar een mogelijke start van een Amsterdams Zorgpaviljoen op Internet. Deze site moest een verzamelpunt worden van informatie over de Amsterdamse zorgaanbieders, met ook de mogelijkheid voor reacties vanuit de stadsbevolking op het zorgbeleid. Eind mei 1997 ging de website Zorgstad Amsterdam van start, gedragen door een brede vertegenwoordiging van Amsterdamse zorgaanbieders en -financiers. De informatie op de website richt zich primair op de inwoners van Amsterdam, zowel in hun hoedanigheid van patiënt/consument als in die van burger. Een tweede doelgroep vormen de (medewerkers van) zorgaanbieders in de stad, vanuit het besef dat betere communicatie bijdraagt aan vergroting van de transparantie en toegankelijkheid van de zorg voor een ieder.
De website Zorgstad Amsterdam heeft op onderdelen aansluiting gezocht bij de website van de gemeente Amsterdam, wat zich onder andere uit in wederzijdse verwijzingen en een gezamenlijk gebruik van het Publieksinformatiesysteem Gemeente Amsterdam (PIGA). PIGA bevat gegevens over de gemeente Amsterdam (de organisatie en het bestuur) en over niet-commerciële instellingen in de hoofdstad waaronder de zorginstellingen. Het gaat daarbij om namen, adressen, openingstijden en beschrijvingen van organisaties, evenals beschrijvingen van regelingen, vergunningen, taken en producten van de overheid. Daarnaast biedt PIGA de mogelijkheid adressen zichtbaar te maken op een (inzoombare) stadsplattegrond. Voor het overige maakt Zorgstad gebruik van een eigen redactie en beheert zij de site zelfstandig. De website wordt betaald door zowel de gemeente Amsterdam als de zorginstellingen die in het project participeren. Dit zorgt meteen voor een blijvende inhoudelijke betrokkenheid van deze instellingen. Het project heeft inmiddels een permanente status gekregen.
Via Internet jongeren bereikenDe gemeente en de betrokken zorginstellingen hebben met Zorgstad Amsterdam een groeipad voor ogen dat drie fases doorloopt. De eerste fase is het toegankelijk presenteren van het zorgaanbod op Internet, daarna volgt het opbouwen van een interactieve relatie met de burger (waarbij burgers dus ook kunnen reageren), en uiteindelijk moet het project uitmonden in een volledige integratie van het medium Internet in het beleidsproces van de aangesloten organisaties. Zo kunnen burgers op den duur bijdragen aan de totstandkoming van het zorgbeleid in de regio Amsterdam. Zoals de projectleider van Zorgstad, Dirk van der Woude, stelt: ‘Volgens het beleidsplan zouden we gaan stoeien met teledemocratie.’ Dit beleid indachtig was wethouder Van der Giessen medio oktober 1997 dan ook direct te vinden voor het idee om een nota over het drugspreventiebeleid gericht op jonge Amsterdammers onderwerp te maken van discussie op Internet.
Een tweede reden voor Van der Giessen om dit experiment uit te voeren waren de al langer bestaande hoofdstedelijke plannen voor een jeugddebat, onder andere voortkomend uit de stadsdebatten die uitgezonden werden op de lokale televisiezender AT5. De gemeente was aan het zoeken naar een vorm om ook jongeren te betrekken bij inspraak. Uit ervaring blijkt dat de gemeente deze groep met de traditionele inspraak nauwelijks bereikt. Een nieuw medium als Internet zou daar verandering in kunnen brengen, zo was de gedachte.
Het onderwerp van de Internetdiscussie, het voorgenomen drugspreventiebeleid gericht op jongeren, is niet geheel willekeurig gekozen. Veel jongeren uit het uitgaanscircuit maken immers intensief gebruik van het medium Internet. Dat valt onder andere af te leiden uit de grote bezoekersaantallen van sites van discotheken en de organisatoren van houseparty’s. Bovendien bestond de indruk dat allerlei feesten met name via het web bekend gemaakt worden. Daarnaast zijn grote groepen jongeren bereikbaar via privé-aansluitingen, onderwijsinstellingen, bibliotheken of een van de zestig publieke terminals. Dit maakte het drugspreventiebeleid tot een mogelijk succesvol onderwerp voor een Internetdiscussie. Voor Van der Giessen waren de zestig openbare terminals een absolute politieke voorwaarde om een dergelijk experiment te beginnen. Met behulp van die terminals kon in principe een ieder aan de discussie deelnemen.
Van der Giessen stelde daarnaast nog enkele andere randvoorwaarden aan de discussie. Zij wilde uitdrukkelijk dat de nota vóór de verkiezingen van maart 1998 afgerond zou zijn. Dat betekende een commissiebehandeling in februari. Daarbij moest rekening worden gehouden met de verwerking van de resultaten van de Internetdiscussie in de concept-nota, de behandeling daarvan in B&W, het kerstreces en het goede gebruik dat de commissieleden de stukken drie weken voor de vergadering toegestuurd krijgen. Daarnaast wilde de wethouder de discussie graag aankondigen op de conferentie ‘Zorg in Mokum’ op 29 oktober 1997. Een en ander betekende dat de discussie ongeveer drie weken kon duren en bovendien dat de website binnen acht dagen (zes werkdagen) operationeel moest zijn.
Happende XTC-pil‘Dansen op de vulkaan, of met je beide benen op de grond’, zoals het interactieve debat over het drugspreventiebeleid zou gaan heten, was het eerste experiment van Zorgstad met interactieve beleidsvorming. In de gemeente Amsterdam zijn in het verleden reeds meerdere elektronische debatten gehouden (onder andere ‘Centrale Zone Amsterdam-Noord’ en ‘Transparant Amsterdam’). Maar voor Zorgstad Amsterdam was deze tweede fase in hun groeipad geheel nieuw. In eerste instantie was het de bedoeling om alleen via een enquête de burgers naar hun mening te vragen. Het projectteam, bestaande uit Dirk van der Woude (projectleider zorgstad), Lex Veldboer (ambtenaar dienst Welzijn) en Marcel Buster (GG&GD), vond alleen een enquête al snel te mager en in overleg met Van der Giessen werd dan ook besloten een discussielijst toe te voegen.
Kern van de site vormde de discussienota, aan de hand waarvan twintig stellingen zijn geformuleerd. De nota stond in officiële vorm op de site (ambtelijk stuk), maar ook in een publieksversie (leesbare versie). In de publieksversie zijn duidelijke koppelingen gemaakt naar de stellingen van de enquête, waardoor deze kon fungeren als een meningspeiling over de inhoud van de nota. Bewust was de nota een ambtelijk stuk en nog geen politiek stuk – de commissie, de gemeenteraad en B&W waren er vooraf niet in gekend – waardoor de uitkomsten van de enquête en de discussie meegenomen konden worden in de uiteindelijke versie. Ondanks het feit dat het nog geen politiek stuk was, heeft Jikkie van der Giessen wel de verantwoordelijkheid voor de nota genomen. Het experiment behelsde nadrukkelijk een meningspeiling onder geïnteresseerden, waardoor het duidelijk is dat de resultaten van de enquête niet representatief konden zijn.
Dankzij een goede samenwerking binnen het projectteam en met de verschillende betrokken organisaties was het mogelijk de site binnen zes werkdagen on-line te hebben. De site is in eigen beheer door Zorgstad opgezet, waarbij voor het ontwerp van het logo en de achtergrondkleuren een beroep werd gedaan op Pulse Interactive BV, een organisatie die onder andere voor Amsterdamse clubs en discotheken websites ontwerpt. Pulse zorgde daarnaast op eigen initiatief voor promotie van de discussie bij de eigenaars van clubs, discotheken en organisatoren van party’s. Het logo stelt een grote XTC-pil voor, die met wijd opengesperde ogen een capsule naar binnen hapt.
Op 29 oktober 1997 kon Jikkie van der Giessen geheel volgens plan de openstelling van de website aankondigen tijdens de conferentie ‘Zorg in Mokum’. In de daaropvolgende drie weken werd de site ongeveer 1750 keer bezocht. Het bezoek aan de site was zo hoog doordat er nadrukkelijk aandacht besteed was aan de promotie ervan. Die promotie was zowel digitaal als traditioneel. Het traditionele persbericht leidde tot artikelen in diverse dagbladen en zelfs tot een bespreking van de site op de Franse radio. Dankzij de aandacht van de Franse radio kwam het grootste buitenlandse bezoek aan de site uit Frankrijk. Aantoonbaar meer bezoek werd op digitale wijze gegenereerd: door aanmelding bij Internet-zoekmachines, maar vooral door de vermelding van de site met een kort achtergrondverhaal in zowel de Daily Planet, een veel gelezen gratis e-zine (elektronisch magazine), als de Internetrubriek ‘Net Binnen’ van Internetaanbieder Planet Internet. De deelnemers aan het experiment hebben de website volgens de enquête gevonden via Internet (74%), de krant (11%), een zoekmachine (9%), de televisie (7%) en ten slotte via de radio, familie en vrienden.
Selecte groep respondentenBezoekers van de website konden door het aanklikken van het icoontje met de tekst ‘nou jij: enquête’ hun mening geven over iedere stelling. In haar digitale welkomstwoord schrijft Jikkie van der Giessen: ‘Door deze enquête wil ik te weten komen wat jij denkt van de preventie van drugsgebruik door jonge Amsterdammers. Zijn de voorstellen die er nu liggen goed of moeten we het juist anders doen, zijn we dingen vergeten. Of moeten we sommige plannen juist níet uitvoeren.’ Op twee plaatsen hadden de respondenten de mogelijkheid een vrije tekst in te voeren.
Aan het eind van de enquête is gevraagd naar een aantal achtergrondgegevens, zoals de mate en het soort van drugsgebruik in de omgeving van de respondent, zijn of haar leeftijd, uitgaansgedrag, woonplaats en dagelijkse bezigheden. Tot slot konden de respondenten aangeven of ze de resultaten van de enquête wilden ontvangen en of ze het uiteindelijke stuk per traditionele post thuisgestuurd wilden krijgen. De enquête op zich was geheel anoniem en de achtergrondvariabelen waren bewust indirect teneinde mogelijke respondenten niet af te schrikken. Voor toezending van de enquêteresultaten of het uiteindelijke stuk moesten de respondenten wel iets van hun identiteit onthullen.
Uiteindelijk hebben 232 bezoekers (13%) de enquête volledig ingevuld, waarvan de helft van de mogelijkheid gebruik maakte zelf nog tekst toe te voegen. Het gegeven dat 13% de moeite heeft genomen de enquête in te vullen is moeilijk te duiden. Enerzijds vult de overgrote meerderheid de enquête niet in, anderzijds laten de traditionele inspraakavonden ook het beeld zien dat slechts een beperkt aantal van de aanwezigen daadwerkelijk het woord voert. Daarnaast moet in ogenschouw genomen worden dat een deel van de 1750 bezoekers van de website niet verder komt dan een paar pagina’s bekijken, waarna ze weer weg zijn. Een aantal van 232 respondenten is vergeleken met de traditionele inspraak ook zeker niet slecht te noemen. Wel geldt voor beide inspraakmogelijkheden dat het merendeel van de belangstellenden niets van zich laat horen.
De groep respondenten bleek een selecte groep. Ze bestond uit ouders (10%), scholieren (11%), studenten (28%) en mensen die betaald of onbetaald werk verrichten (59%). Van deze laatste groep was onder meer 3% werkzaam in het onderwijs, 7% in de hulpverlening en 10% in de horeca. Van der Giessen vindt het jammer dat zo weinig ouders en onderwijsgevenden geparticipeerd hebben in de discussie, maar dit is volgens haar geen nieuw gegeven. ‘Er rust nog steeds een taboe op het onderwerp, niemand wil toegeven dat de eigen kinderen of de eigen scholieren een drugsprobleem zouden kunnen hebben.’ Het onderwerp wordt veelal doodgezwegen met alle negatieve gevolgen vandien.
De gemiddelde respondent valt te typeren als een werkende man, tussen de twintig en dertig jaar oud, bekend met het uitgaansleven en verkerend in een omgeving waar behalve alcohol en tabak ook nog andere verslavende middelen worden gebruikt. Het centrale kenmerk van de groep is dat ze geïnteresseerd is in het beleid dat ter discussie staat (in dit geval het drugsbeleid). Dit beeld komt overeen met de waarnemingen in een vergelijkend onderzoek naar acht gevallen van elektronische burgerconsultaties, dat is verricht in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Controverse over repressieDe enquête is ruwweg te verdelen in een deel waarin de analyse van de drugsproblematiek ter discussie stond, en een deel waarin gereageerd kon worden op de voorgestelde beleidsmaatregelen. Ten aanzien van de analyse was er een fundamenteel verschil tussen twee groepen. De ene groep was van mening dat het gebruik van drugs pas een probleem wordt indien te veel, in een ongepaste situatie of op een verkeerd moment wordt gebruikt. Vaak werd een vergelijking getrokken met alcohol. ‘Je mag je van de overheid wel kapot zuipen (alcohol) want hier verdienen ze aan. Maar je mag geen pilletje slikken of een blow roken.’ Deze groep maakt zich dan ook niet zoveel zorgen om het gebruik van drugs, maar wel om de onwetendheid over de gevaren van drugs en om het gebrek aan toezicht op de kwaliteit van drugs.
De andere groep denkt dat het gebruik van drugs altijd problematisch is, omdat ook experimenteel gebruik kan leiden tot een situatie waarin het gebruik niet meer in de hand te houden is. ‘Ik vind dat het uitgangspunt van de overheid moet zijn dat geen drugs gebruiken normaal is! En niet zoals het nu is met het gedoogbeleid van pillen (harddrugs?) op house party’s en disco’s!!!’ Volgens deze groep moet het gebruik dan ook ontmoedigd worden en is een gedoogbeleid niet de juiste weg, aangezien dit kan leiden tot aanbod door criminelen van nog schadelijker stoffen. Indien hierbij onderscheid wordt gemaakt naar woonplaats van de respondenten, dan valt op dat de Amsterdammers in meerderheid vinden dat de problemen met drugsgebruik onder jongeren wel meevallen, terwijl een meerderheid van de niet-Amsterdammers precies het omgekeerde denkt.
Ten aanzien van de voorgestelde beleidsmaatregelen is er sprake van een veel grotere eensgezindheid. Beide groepen blijken voorstander van het testen van drugs en het bieden van uitgebreide voorlichting, maar zien dit als een tussenoplossing. De ene groep is van mening dat de meeste problemen vervallen indien drugs gelegaliseerd worden, aangezien dan kwaliteitscontrole mogelijk is. De andere groep stelt dat indien drugs ‘echt’ verboden zouden worden, drugs niet meer gebruikt kunnen worden waardoor een groot deel van het probleem is opgelost. Breed gedragen is het uitgangspunt dat drugsgebruik onder schooltijd onaanvaardbaar is. De repressieve zijde van het drugsbeleid (vervolging handelaren en producenten, de aanwezigheid van politie op de dansvloer) blijkt het meest controversiële onderwerp te zijn. Er zijn zowel felle voor- als tegenstanders van een streng vervolgingsbeleid. In de concept-nota werd bij dit onderwerp voorgesteld de nadelen van repressie meer in ogenschouw te nemen bij het formuleren en uitvoeren van beleid. Opvallend, maar misschien niet verrassend is dat de Amsterdamse respondenten menen dat Amsterdam een aparte stad is waar de problemen dermate specifiek zijn dat ze anders aangepakt moeten worden dan elders, terwijl de niet-Amsterdammers vinden dat Amsterdam een stad is als alle andere waardoor geen specifieke aanpak noodzakelijk is.
Doordat de respondenten de enquête digitaal invulden, kon deze relatief eenvoudig worden verwerkt. Bij de bouw van de website en de technische opzet van de enquête was een functionaliteit ingebouwd die de digitaal ingediende enquêtes automatisch omzette naar een voor een spreadsheetprogramma leesbaar bestandsformaat. Hierdoor kon het projectteam enkele uren na afronding van het experiment al enige conclusies trekken over de samenstelling van de groep respondenten en hun ideeën over het Amsterdamse drugsbeleid. In deze heeft de techniek als een procesversneller gewerkt.
Vluchtig én eeuwigBezoekers van de website konden ook door het aanklikken van het icoontje met de tekst ‘en: discussie!’ met elkaar in debat gaan over het drugsbeleid van de gemeente Amsterdam. In haar digitale welkomstwoord schrijft Van der Giessen: ‘Als de gemeente Amsterdam plannen maakt, dan vind ik dat we daarbij zoveel mogelijk de mensen moeten betrekken waar het om gaat. Een gemeentebestuur kan immers niet alles weten. Ik hoop dat veel jongeren, scholen, ouders, uitgaansgelegenheden, drugsgebruikers en niet-gebruikers aan deze discussie zullen deelnemen. Je kunt reageren op de discussienota, maar ik sta ook open voor helemaal nieuwe voorstellen om de drugspreventie beter vorm te geven.’ Zeventig bijdragen waren het resultaat van deze uitnodiging, uiteenlopend van doorwrochte betogen tot een simpel ‘mee eens!’ en van een losse bijdrage van één persoon tot langgerekte discussielijnen waarin meerdere discussianten op elkaar reageren.
Deelnemers aan de discussie konden kiezen of ze hun bijdragen wilden voorzien van hun naam. Door op een verzendknop te drukken kwam de bijdrage direct on-line. Het projectteam had de mogelijkheid om achteraf bijdragen te verwijderen, maar van die optie is geen gebruik gemaakt. Digitale discussies hebben een eigenheid die het mogelijk maakt steeds direct te reageren op berichten die op het scherm verschijnen. In die zin lijkt het op een werkelijke discussie tussen personen. De bijdragen die de discussianten leveren worden echter opgeslagen en zijn voor iedereen leesbaar en herleesbaar. De digitale discussie combineert daarmee de vluchtigheid van een mondelinge discussie met de eeuwigheid van een briefwisseling. Kenmerkend is ook de laagdrempeligheid (afgezien natuurlijk van het feit dat deelnemers toegang tot Internet moeten hebben). De discussiebijdragen worden in de regel gemaakt van achter het eigen beeldscherm in de eigen beschermde omgeving, hetgeen vaak leidt tot een spontanere en openere houding in de discussie, te vergelijken met de spontaniteit van een telefoongesprek. Van de andere kant maakt het ook weldoordachte en goed voorbereide bijdragen mogelijk.
In de discussie keerden veel onderwerpen terug, die al door de enquêtedeelnemers waren aangesneden. Ook hier werd regelmatig de parallel getrokken tussen het gebruik van XTC en wiet enerzijds, en de consumptie van alcohol anderzijds. Andere onderwerpen die prominent naar voren komen, zijn de beeldvorming van Nederland in het buitenland door het ‘vrije’ drugsbeleid en de medische kosten die het drugsgebruik in de toekomst kan veroorzaken. Waarschijnlijk mede door de mogelijkheid bijdragen anoniem in te sturen vertellen veel discussiedeelnemers hun levensverhaal en proberen ze hun ‘levenswijsheid’ over te brengen op de andere deelnemers, zoals ‘een happy ex-junkie’ die de volgende bijdrage instuurde: ‘Drugs worden nu alleen maar gezien als een groot gevaar voor de lieve kindertjes. Ik weet (uit ervaring) dat als je echt wilt, je er toch wel aan gaat. Ik hoop dat drugsverslaafden ooit eens een keer geaccepteerd worden en niet behandeld als grof vuil, want voor de meeste echte junkies is de CAD [een treetje te hoog en daar moet wat aan gebeuren!!! Mazzzlesz een ex-junkie die nu weer net zo vrolijk is als voordat ze stopte!!!!’
Niet alle deelnemers gingen de discussie anoniem in. Zo ontdekte een leerling van het voortgezet onderwijs een bijdrage van zijn leraar Informatiekunde, waarin deze een bekentenis doet: ‘Zelf heb ik in de jaren ’70 met allerlei dingen geëxperimenteerd en ik rook nog steeds marihuana, wat me goed bevalt, vooral na een dag werken ’s avonds lekker op de bank.’ In eerste instantie reageert de leerling wat lacherig, maar uiteindelijk ondersteunt hij volmondig diens pleidooi voor meer voorlichting aan jongeren over de verschillende soorten drugs en hun gevaren. Hij besluit met een uitnodiging aan zijn leraar: ‘We gaan een keer sucken (dat is hetzelfde als blowen).’
De doelgroep blijkt geheel allergisch voor enige vorm van bemoeizucht door de overheid. Dat zien ze al heel snel als betutteling en roept reacties op als: ‘Wat ik bedoel te zeggen, is dat jullie het gewoon aan ons zelf moeten overlaten, we zijn echt niet achterlijk of zo’, ‘Bemoei je a.u.b. met je eigen zaken’ en ‘Sorry hoor, het is je eigen leven dat je verziekt.’ Ondanks het feit dat de discussienota niet over de mogelijke legalisering van XTC (en andere uitgaansdrugs) ging, kwam dat onderwerp regelmatig in de discussie terug. Dat in alle openheid en op uitnodiging van de gemeente over het drugsbeleid gesproken kon worden, stuitte soms op bezwaren, maar de overgrote meerderheid vond het een goede gelegenheid ‘om beter op de hoogte te zijn’, om ‘vooroordelen en onbekendheid rond drugs weg te nemen’ en om ‘zich actief te bemoeien met het te voeren beleid’.
Vooral debat tussen onafhankelijkenDe Amsterdamse clubs gingen in hun reacties vooral in op het repressieve deel van het drugsbeleid (te veel repressie, te weinig helderheid over de regels ten aanzien van pillenbezit) en toonden zich voorstander van een betere onderlinge samenwerking. Arena verwoordt dit standpunt als volgt: ‘Wij hopen dat er vanuit de overheid nu eindelijk een duidelijk beleid komt waarin exact wordt aangegeven waar de grens ligt tussen hard/soft drugs en legaal en illegaal!! Een duidelijk beleid moet het mogelijk maken de illegale drugs bij de bron aan te pakken zodat de clubs niet de dupe worden. Ook pleiten wij voor een betere samenwerking tussen de clubs zelf, dit houdt in dat de portiers elkaar onderling op de hoogte houden van probleemgevallen, en zelf ook harder optreden.’ Opvallend was dat de discotheken zich niet of nauwelijks uitspraken over het nemen van voorzorgsmaatregelen waardoor gezondheidsrisico’s voor gebruikers beperkt kunnen worden. Op houseparty’s gebeurt dit standaard, in discotheken bijna niet. In het voorgenomen beleid staan echter wel maatregelen die zij op het gebied van de volksgezondheid moeten treffen.
De betrokkenheid van clubs en discotheken in de discussie was vooral te danken aan het bureau Pulse Interactive BV, dat hen gestimuleerd heeft te reageren. De uitgaansgelegenheden waren bijzonder te spreken over het initiatief om de jeugd mee te laten praten over het drugsbeleid, maar hadden zelf moeite te reageren via het medium Internet. Pulse heeft toen hun schriftelijke reacties op de website geplaatst. Van de ene kant is dat een weinig interactieve manier van discussiëren; de instellingen reageerden in hun bijdragen ook nauwelijks op andere discussianten. Van de andere kant is het ook weer bijzonder dat deze belanghebbenden open en bloot voor hun mening uitkwamen. Waar individuele burgers in de traditionele interactieve processen vaak een rol kunnen spelen in het openbreken van de standpunten van organisaties, kwam dat in deze discussie niet tot stand. Dit was ook niet mogelijk door de weinig interactieve wijze van deelname door de uitgaansgelegenheden.
Al met al ontspon de discussie zich vooral tussen de ‘onafhankelijke’ deelnemers. Daar waar de clubs en discotheken zich met name beperkten tot het naar voren brengen van hun (officiële) standpunt, gingen de andere deelnemers in op eigen ervaringen en legden ze van daaruit een koppeling naar mogelijk beleid. In tegenstelling tot vele andere digitale discussies gingen de deelnemers in op de bijdragen van anderen en ontstonden er discussielijnen. De kwaliteit van die discussielijnen was overigens wisselend.
De inbreng van de gemeente bestond met name uit het antwoord geven op feitelijke vragen van deelnemers en het bieden van achtergrondinformatie door een ambtenaar. Er was wel een voorziening getroffen voor het geval er vragen beantwoord zouden moeten worden met een duidelijk politieke lading. In dat geval was intern geregeld dat Jikkie van der Giessen binnen een dag zou antwoorden. Dit bleek niet nodig, waardoor de enige bijdrage van de wethouder aan de discussie de openingsbijdrage was. Deze beperkte inbreng van gemeentewege in de discussie is geen bewuste keuze geweest, maar vooral veroorzaakt door de politieke hectiek in de periode dat de discussie speelde en de snelheid waarmee de discussie on-line moest komen.
Belangrijkste uitkomstenHet project ‘Dansen op de vulkaan of met je beide benen op de grond’ is opgezet als een moderne vorm van meningspeiling over beleidsvoorstellen en de daaraan ten grondslag liggende probleemanalyse. In kwantitatieve zin is de deelname veel groter dan mogelijk is bij een jeugdpanel of een andere vorm van inspraak. In kwalitatieve zin heeft het experiment geleid tot vele inhoudelijke reacties, opmerkingen, discussies en ideeën. Het belangrijkste onderdeel binnen het experiment, de enquête, zorgde bovendien voor een duidelijke meerwaarde doordat informatie verkregen is over de achtergronden van de deelnemers.
De meerderheid van de geënquêteerden en de discussiedeelnemers uitte zich, zoals eerder gemeld, positief over de voorgestelde beleidsmaatregelen. Hun oordeel wijkt in dat opzicht niet af van de bevindingen tijdens enerzijds de inspraakrondes met instellingen (waaronder verslavingszorg en -preventie en de politie) en anderzijds het Horecacongres Amsterdam ten aanzien van de XTC-problematiek. De bijdragen op de Internetsite onderscheiden zich vooral door de sterk uiteenlopende opvattingen en door de veel directere taal die wordt gebruikt.
De Internetdiscussie is voor wethouder Jikkie van der Giessen uiteindelijk een zeer prettige discussie gebleken. Het komt immers niet al te vaak voor dat een wethouder van de doelgroep van beleid te horen krijgt dat ze het grotendeels eens zijn met de voorgestelde beleidsmaatregelen. In de gehele discussie heeft zij als een soort ‘boegbeeld’ gefungeerd door iedere Internetpagina te voorzien van een inleiding en haar foto. Hierdoor kreeg de discussie een gezicht en werd het belang ervan voor het Amsterdamse college onderstreept. Eén deelnemer kon het initiatief van Van der Giessen niet waarderen en schreef: ‘Ik vind dat het uw zaken niet zijn en ge moet niet op mijn kop liggen te zeiken over drugs en vandalisme. Drugs zijn lekker tout court en voor de rest heeft u er geen uitstaans mee’, maar in diverse andere bijdragen valt te beluisteren dat de deelnemers het experiment gewaardeerd hebben en het vooral ook een moedig initiatief vonden.
Van der Giessen signaleert dat de werkwijze bij dit project tot een verandering binnen de ambtelijke organisatie leidt: ‘Normaal krijg ik een nota als eindstuk, de directeur van de afdeling heeft zijn goedkeuring gegeven voordat ik het krijg. Door in een dergelijk vroeg stadium burgers reeds te vragen naar hun mening wordt de eigen organisatie platter, het beleidsstuk hoeft intern over minder schijven.’ Ze ervaart de inspraakmogelijkheid voor burgers via Internet als positief: ‘Op bepaalde beleidsterreinen zie je tien jaar lang dezelfde insprekers terugkomen, jongeren horen daar vrijwel nooit bij. Dankzij de Internetdiscussie heb ik nieuwe contacten opgedaan en ben ik op deelgebieden tot nieuwe inzichten gekomen. Ik ben bijvoorbeeld door de discussie, per e-mail, in contact gekomen met een gedetineerde die mij zijn hele levensverhaal heeft geschreven, hij was drugsgebruiker en lijdt aan aids. Ik ben de man uiteindelijk in de gevangenis nog gaan opzoeken.’
Breed draagvlak voor voorstellenDe reacties van de deelnemers aan zowel de digitale discussie als de twee traditionele inspraakrondes zijn uiteindelijk verwerkt in de definitieve nota, maar aangezien de beleidsmaatregelen redelijk breed gedragen werden was het niet noodzakelijk veel te wijzigen in de oorspronkelijke tekst. De discussie en de enquête werden met name ‘opgevoerd’ als ondersteuning en onderbouwing van het voorgestelde beleid. De suggestie dat jongeren liever steun krijgen in hun eigen omgeving dan dat zij de gang naar de hulpverlening maken staat concreet verwoord in de definitieve nota, evenals het beleidsvoornemen om het testen van pillen breder mogelijk te maken. De collegebehandeling resulteerde erin dat de toonzetting van de nota op enkele plaatsen is veranderd, maar dit betrof geen fundamentele wijzigingen.
Bij de behandeling van de nota in de commissie van advies kwamen nog vragen van een oppositieraadslid hoe het nu eigenlijk met de representativiteit van de Internetrespondenten was gesteld. De wethouder maakte daarop duidelijk dat er meerdere inspraakmogelijkheden geboden zijn. De digitale inspraakmogelijkheid was een extra mogelijkheid, die niet in plaats van andere is gekomen. Voorts werd vanuit de commissie gevraagd of het college de mogelijkheid zou willen onderzoeken van gelegaliseerde verkooppunten voor XTC. Van der Giessen heeft toegezegd dit te zullen inbrengen in het college. De commissie heeft vervolgens ingestemd met de aangepaste nota en heeft het Internetexperiment volgens Van der Giessen met name gezien als een manier van draagvlakverwerving. In de gemeenteraad is niet meer gediscussieerd over de nota en is het als een hamerstuk door de vergadering gegaan. De nota kreeg echter nog een staartje. Van der Giessen bracht namelijk een positief preadvies uit in het college over het onderzoeken van gelegaliseerde verkooppunten. Dit preadvies werd zonder enige discussie overgenomen door het college, hetgeen leidde tot krantenkoppen als ‘Amsterdam wil XTC legaliseren’ en voor mediabelangstelling zorgde uit binnen- en buitenland. Op dat moment bleek dat de andere leden van het college hun stukken niet bestudeerd hadden en eigenlijk geen voorstander waren, waarna ‘het onderzoek’ snel was afgerond.
ConclusiesGezien de relatief grote belangstelling voor het Internetexperiment en de vele inhoudelijke bijdragen kan er, zeker gezien de doelstellingen, gesproken worden van een succesvol experiment. Bij eerdere experimenten ontbraken vaak ofwel de insprekende burgers ofwel inhoudelijke bijdragen van de burger. Er zijn echter ook kanttekeningen te plaatsen bij het project.
ProjectteamDe discussie werd voorbereid en begeleid door een klein, enthousiast projectteam dat zowel ambtelijke als politieke steun genoot. De politiek, in de persoon van Jikkie van der Giessen, had de politieke durf om het experiment niet vooraf te willen structureren maar wel de verantwoordelijkheid te nemen. De ambtelijke top durfde het aan om een eigen nota ter discussie te stellen op een onbekend platform zonder voorwaarden vooraf. Hierdoor kon het projectteam werken zonder een helemaal vastliggend projectplan en kon het zich flexibel en creatief opstellen, waardoor nieuwe ideeën de ruimte kregen. Dit mondde onder meer uit in de toevoeging van een discussiemogelijkheid aan de website en een herkenbare naam voor het experiment: ‘Dansen op de vulkaan of met je beide benen op de grond’. Een groot deel van het bezoek aan de website is te danken aan het cross-mediaal bekendmaken van het experiment (radio, dagbladen, Internet, zoekmachines).
Het projectteam heeft veel zorg besteed aan de documentatie van de site. De beleidsinformatie was te vinden in de ambtelijke versie en in de publieksversie van de nota. Opvallend is dat de bezoekers van de site niet zozeer de ambtelijke of de publieksversie hebben geraadpleegd, maar veelal direct de enquête. Dit kan erop wijzen dat de doelgroep de voorkeur geeft aan korte, gecomprimeerde informatie waar ze een mening over kunnen geven. Een metafoor die voor de jeugd vaak wordt gebruikt is de ‘zappende televisiekijker’. Dat zappen konden de deelnemers aan het experiment volop en sluit ook goed aan bij de mogelijkheden van het medium Internet. Volgens Van der Giessen hoeft dit helemaal niet negatief opgevat te worden: ‘Als zappen ervoor zorgt dat meer en vooral ook andere mensen inspreken, is dat al een democratische waarde op zichzelf. Je moet voorkomen dat je alleen maar bureaucratische inspraak krijgt met steeds dezelfde mensen tegenover elkaar.’
Techniek en vormgevingHet is waarschijnlijk een verstandige keuze geweest van het projectteam om ondersteuning in te roepen van Pulse Interactive BV. Dit bureau had reeds meerdere websites ontworpen voor clubs en discotheken in Amsterdam, waardoor het precies wist welke vormgeving jongeren zou aanspreken. Pulse heeft er daarnaast voor gezorgd dat de clubs en discotheken ook reageerden, waardoor er een vollediger beeld kon ontstaan van de meningen van relevante actoren in het beleidsveld.
De gehele site sloot aan bij reeds lang geldende standaarden voor Internet. De opvallend oranje en blauw vormgegeven site was prima digitaal bereikbaar, doordat zowel aan de hardware als aan de software van de bezoekers geen hoge eisen werden gesteld. Ook aan de beveiliging van de website was nadrukkelijk aandacht besteed om te voorkomen dat hackers hun bij tijd en wijle vernietigende werk zouden kunnen doen.
Onderwerp van discussie en fase beleidsprocesOp dit moment heeft nog maar een beperkt deel van de Nederlandse bevolking toegang tot Internet. Bij de inzet van Internet voor een experiment met interactieve beleidsvorming moet dus een duidelijk voorbehoud gemaakt worden ten aanzien van de representativiteit. Dat voorbehoud kan echter enigszins genuanceerd worden als de doelgroep voor een groot deel reeds aanwezig is op het Internet en niet alleen het medium Internet ingezet wordt. Door de keuze van het drugspreventiebeleid gericht op jongeren is gekozen voor een onderwerp dat letterlijk en figuurlijk zeer tot de verbeelding spreekt én waarvan de doelgroep relatief veel toegang tot het medium Internet heeft. Aan veel kritiek was reeds tegemoet gekomen door Internet in te zetten naast en niet in plaats van de traditionele inspraakrondes. Wat in dit kader overigens wel opvalt is dat het ‘grote publiek’ eigenlijk alleen via Internet kon inspreken. Naast de inspraakmogelijkheid via Internet is de nota in twee rondes besproken met het veld van instellingen en deskundigen. Normaal verloopt de publieksinspraak ten aanzien van zorg voor drugsgebruikers en verslaafden volgens de regeling voor ‘noodzakelijke, maar omstreden voorzieningen’. De vestiging is een voldongen feit, alleen de manier waarop is onderwerp van inspraak. Er is kortom geen traditie van openheid op dit gebied.
De gemeente Amsterdam heeft de interactieve discussie in een vroeg stadium van het beleidproces ingezet. In een fase waarin er nog ruimte is voor wijzigingen in het beleid en voor creatieve ideeën, waarin het bestuur nog niet in de loopgraven zit. In deze fase is het probleem van de representativiteit ook nog niet manifest, aangezien het primair gaat om de ideeënrijkdom die door een dergelijk experiment aangeboord kan worden. Een prettig neveneffect daarbij is dat ook draagvlak bij de doelgroep gevormd kan worden. De succesvolle inspraak (traditioneel en digitaal) plaatste de politieke partijen wel enigszins voor voldongen feiten. Bij behandeling in de commissie was vaststelling van de nota een gelopen race; het collegevoorstel was aan alle kanten ingedekt.
AgendavormingDe enquête was redelijk traditioneel van opzet: de gemeente maakt plannen en zorgt voor inspraakmogelijkheden. In feite bepaalt de gemeente de vraag, de agenda en de termijn van de discussie. De vraagstelling van de enquête ‘dwingt’ de burger enigszins in een bepaalde denkrichting. Door de formulering van de vragen en de tendens die in de vragen zit bestaat het risico dat bepaalde aspecten die voor de deelnemers wel belangrijk zijn, maar niet in de vraagstelling naar voren komen, ook niet meegenomen worden in de uitkomsten van de enquête. Daarnaast kunnen andere aspecten die deelnemers als niet of minder relevant beschouwen, een te zware status binnen de enquête krijgen. De enquête geeft met andere woorden inherent prioriteit aan bepaalde aspecten van de drugsproblematiek en werkt daardoor agendavormend. Het projectteam is voor een deel tegemoet gekomen aan deze kritiek door op twee plaatsen de mogelijkheid te bieden om een ‘open antwoord’ in te vullen. Daarnaast is er natuurlijk ook nog de discussie, maar daarin borduren de deelnemers al snel verder op de vragen die in de enquête gesteld zijn.
RespondentenIn de discussie konden deelnemers naar wens hun eigen, een andere of zelfs geen identiteit aannemen. Bij een onderwerp dat bij sommige mensen toch gevoelig ligt vanwege hun huidige maatschappelijke leven, is de drempel hierdoor vele malen lager om te reageren dan wanneer ze dezelfde reactie zouden geven in een traditionele discussie in real life. Het geeft echter geen zekerheid over de precieze samenstelling van de deelnemers.
Bij de enquête zijn wel enige gegevens van de respondenten verzameld. Ondanks de korte voorbereidingstijd en de korte doorlooptijd lijkt de organisatie er redelijk in geslaagd de doelgroep te bereiken. Toch vormen de respondenten niet een doorsnee van de Amsterdamse bevolking, maar het gaat ook te ver om dat op dit moment al van het medium Internet te verwachten. De doorsnee deelnemer aan traditionele inspraakmogelijkheden is een blanke, hoog opgeleide man tussen de veertig en vijftig jaar oud. Bij ‘Dansen op de vulkaan’ gaat het om een werkende man tussen de twintig en dertig jaar oud. Vrouwen lijken zowel digitaal als analoog moeilijk te stimuleren om aan een discussie mee te doen. Het zou dan ook interessant zijn te onderzoeken aan welke specifieke eisen een discussie zou moeten voldoen om voor vrouwen aantrekkelijk te zijn (denk bijvoorbeeld aan onderwerp, belang, vormgeving en werving).
Reflectie op de doelstellingenAl met al heeft de discussie redelijk aan de doelstellingen kunnen voldoen die er vooraf aan gesteld waren. In de eerste plaats is bij de gemeente het inzicht in de bruikbaarheid van het medium Internet vergroot. In de tweede plaats lijkt dit experiment erop te wijzen dat via Internet een andere groep reageert dan de groep die dat via de traditionele inspraakkanalen doet. Internet is hierbij echter niet zaligmakend, er zijn ook andere manieren om die groepen te benaderen, met name in hun eigen omgeving, hetgeen wethouder Van der Giessen ook doet. Het gaat dan ook te ver om nu al te concluderen dat de doelgroep jongeren beter bereikt kan worden via Internet. Daarvoor is uitgebreider onderzoek nodig. De inschatting van de dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam is overigens dat uit een traditionele enquête een vergelijkbaar beeld zou zijn ontstaan. Een inschatting die bemoedigend is voor de gebruikte methode, zeker met in het achterhoofd de verwachte sterke groei van Internet in Nederland, maar bepaald ook bemoedigend voor de gemeente aangezien een enquête via Internet vele malen goedkoper is dan op traditionele wijze....
Tot slot: hoe verderBeleidsmakers kunnen met behulp van Internet sneller en beter vernemen wat specifieke doelgroepen van beleid al dan niet willen. Opinieonderzoek via Internet, maar ook communicatieonderzoek, beleidsevaluatieonderzoek en draagvlakonderzoek via Internet maakt beleidsinformatie van een hoger gehalte mogelijk. In principe betekent dit dat de stem van de burger luider en duidelijker kan klinken. Uit het recente onderzoeksrapport Digitale gemeentehuizen blijkt dat negen digitale gemeentehuizen één of meer van deze mogelijkheden inmiddels bieden, waardoor burgers via de computer interactief betrokken kunnen zijn bij het gemeentelijke beleid.
Discussies, zowel op een digitale als op een traditionele wijze, zijn vaak voor een groot deel gebaseerd op emotie. In een face-to-face discussie zijn alle emotionele elementen voor een ieder zichtbaar. In een digitale discussie is dat in principe niet het geval. In eerdere digitale experimenten is getracht die emotie te vangen, onder andere aan de hand van symbolen (lachende en bedroefd kijkende gezichten) en aan de hand van een zogenaamde ‘passiestem’ waarmee deelnemers kunnen aangeven dat ze iets erg belangrijk vinden. Die mogelijkheid om emotie te tonen levert vaak interessante gezichtspunten op en maakt het belang duidelijk dat iemand aan een bepaald deel van de discussie hecht. Bij een volgend digitaal experiment van de gemeente Amsterdam zou het aanbeveling verdienen daar iets mee te doen.
Velen hebben hoge verwachtingen van Internet als een instrument om de burger weer meer te betrekken bij het beleid en het bestuur. De burger zal echter wel een reden moeten hebben om aan een digitaal experiment mee te doen. De eerste keer is altijd nog onwennig en niemand stelt nog hoge eisen. Zo kon het ook gebeuren dat de hoofddoelstelling van het Vulkaan-project het ‘leren omgaan met Internet en beleid’ was. Een volgende keer zal er meer op het spel moeten staan om dezelfde insprekers weer mee te krijgen. Alleen dan kan Internet mogelijk voor burgers een reden zijn om onafhankelijk van tijd en plaats digitaal te participeren, terwijl diezelfde burgers dat op de traditionele wijze niet eens zouden overwegen.
Jikkie van der Giessen, als wethouder ook in het nieuwe college verantwoordelijk voor informaticastimulering, heeft in ieder geval de smaak te pakken gekregen en heeft reeds aangekondigd dat ‘Dansen op de vulkaan’ beslist niet de laatste discussie van de gemeente Amsterdam op Internet was. Sterker nog, een nieuwe Internetdiscussie dient zich alweer aan en zal gaan over het mediabeleid van de gemeente. Ook zijn er plannen om de kabel, die in 1999 in heel Amsterdam tweewegverkeer mogelijk maakt, in te zetten voor meningspeilingen.
Het zou goed zijn als de gemeente bij een volgend experiment weer een stapje verder zou gaan door haar eigen inbreng in de discussie te vergroten, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau. Dat voorkomt dat het eenrichtingsverkeer wordt, niet alleen de burger is dan toegankelijker voor de overheid, maar de overheid ook voor de burger.